woensdag 25 januari 2012

De miereneter.

Neen, ik wil het niet uitvoerig hebben over deze merkwaardige dieren zoals de reuzenmiereneter of de Myrmecophaga tridactyla wat letterlijk ‘drievingerige miereneter’ betekent. Hij behoort tot de onderorde van de Vermilingua wat dan weer zoveel betekent als ‘wormachtige tong’ en bij de reuzenmiereneter toepasselijk is voor die 60 cm lange, spitse tong waarmee hij in mierennesten wurmt om zijn kostje bij mekaar te likken. Deze 65 woorden om te zeggen waarover ik het niet wil hebben. Ik heb het over ons, de mens, de omnivoor die net nog geen kookboek op de markt bracht met overheerlijke gerechten met als hoofdbestanddeel de mier. Aankijken tegen een wereldbevolking van 9 miljard mensen in 2050 brengt sommige mensen er wellicht toe toch al wat recepten te gaan bedenken zoals ‘Amazonemieren met een pikant jachtsausje’ aangevuld met ‘vuurmierenkroketjes’ en als afsluiter ‘flensjes met honingmieren’. Voor de bewonderaar van de mierenfauna duikt meteen een doemscenario op. Negen miljard hongerige magen? Ok, in het regenwoud van het Braziliaanse Amazonegebied blijkt het droge gewicht van alle daar voorkomende mieren het viervoudige te zijn van alle op het land levende gewervelden en in Finland zouden ze zo’n 10% van de dierlijke biomassa vertegenwoordigen (wie telt dat allemaal na?) – maar 9 miljard miereneters? Dat wordt beslist het einde van een wetenschappelijke discipline! Er zullen 9 miljard mensen zijn maar een zeldzame woekermier of een nog zeldzamere Engelse drentelmier zal je dan nog tevergeefs gaan zoeken. Hopelijk blijven de collecties in onze musea gespaard van de mierenjagers. DE MIER? Uitgestorven in 2050! Om zure oprispingen bij te krijgen. Maar ja, als onze kindjes honger hebben? Altruïstisch als de mieren van nature zijn, zou je misschien mogen verwachten dat ze zich voor het voortbestaan van de mensheid wel willen opofferen. Blijft de vraag of ze echt zullen bijdragen tot de oplossing van het hongerprobleem van de mensheid. Neem nu onze bosslankmier, amper een paar mm groot met enkele tientallen zusters per nest. Je moet al een omvangrijk bos omspitten om voor een tête-à-tête een karig voorgerecht te serveren. Bosmieren dan maar? Als je van zure pickles houdt, kan een groot gezin wel eens een feestje bouwen. Maar op is op – geen tweede oogst. Het ziet er dus weinig hoopvol uit. Nochtans kan je in Colombia van de soort Atta laevigata
op de plaatselijke markt een portie ‘hormigas culonas’ of ‘mieren met een dik achterste’ in je boodschappenmandje leggen. Het zijn de wijfjes van de bladsnijdermieren die na de bruidsvlucht worden verzameld en ja … het zijn dikbillen. Deze bladsnijdermieren zijn bovendien in de
Midden- en Zuid-Amerikaanse landen in de landbouwgebieden een ernstige plaag zodat consumptie ervan meteen een strijd tegen de overlast is. Aziatische landen zoals China, India en Thailand om er maar een paar te noemen, hebben al een lange traditie als entomofagen en naast krekels, sprinkhanen en vette vlinder- en keverlarven doen ze zich daar ook tegoed aan de wevermieren Oecophylla smaragdina. Voor een zoete hap moet je in Down Under zijn. In Australië woelen de Aboriginals sinds mensenheugenis de aarde om, op zoek naar honingpotmieren en ze gaan daarbij wel erg diep. Naar het schijnt is het uitzuigen van hun opgezwollen achterlijf een mierzoete sensatie. Het mag dan in sommige landen al een traditie zijn af en toe een portie mieren op het menu te zetten maar voor 2050 zullen we toch andere voedselbronnen moeten aansnijden. De meesten van ons zullen als knabbel bij het kijken naar een documentaire over mieren trouwens naar de traditionele nootjes en chips grijpen. Of dit een beter alternatief is om 2050 te halen, is maar zeer de vraag.

donderdag 8 april 2010

Genen met een geurtje.

In hun recente boek ‘The lives of ants.’ brengen Laurent Keller en Elisabeth Gordon een samenvatting van een aantal studies die werden gedaan in de jaren 90 omtrent het Gp-9 gen.
Dit gen zou ervoor verantwoordelijk zijn dat er bij de vuurmier Solenopsis invicta twee koloniestructuren voorkomen. Bij deze vuurmier treft men zowel polygyne als monogyne kolonies aan. Het Gp-9 gen, dat aan de basis ligt van de productie van een feromoon dragend eiwit, kent twee verschillende allelen, B en b. Dit resulteert genotypisch in homozygote BB of bb of heterozygote Bb vrouwelijke nakomelingen. Nu heeft men vastgesteld dat in een monogyne kolonie, waarin slechts één functionele gyne wordt aangetroffen, deze homozygoot BB is voor het Gp-9 gen. In een polygyne kolonie, met enkele tot zelfs een paar honderd functionele gynen, vindt men vooral heterozygote Bb gynen maar hier kunnen jonge gynen van de drie genotypen geproduceerd worden – BB, Bb en bb. Het b allel is echter een letaal allel zodat nakomelingen die homozygoot zijn voor bb sterven vooraleer ze de seksuele maturiteit bereiken. Maar waarom heeft een polygyne kolonie geen homozygote BB koninginnen? Om hierop een antwoord te krijgen, heeft men dergelijke homozygote BB gynen in een polygyne kolonie geïntroduceerd en stelde men vast dat ze werden gedood door de aanwezige heterozygote werksters en dat enkel heterozygote gynen als nieuwe koninginnen in de kolonie worden aanvaard. De volgende vraag die om een antwoord vroeg, was dan ook hoe die werksters de homozygote BB gynen herkenden om ze systematisch te doden. Aangezien genetisch onderzoek had aangetoond dat het Gp-9 gen codeert voor een feromoon dragend eiwit ging men ervan uit dat de werksters het onderscheid kunnen maken op basis van de geur. Experimenten in die richting toonden inderdaad aan dat de heterozygote werksters aan de hand van de geur kunnen vaststellen welke gynen homozygoot BB zijn hetgeen hen aanzet om deze gynen te doden. Het verschil in genotype bij de gynen resulteert ook in het fenotype. De homozygote BB gynen zijn groter en zwaarder (gem. 15 mg) dan de heterozygote Bb gynen (gem. 11 mg) terwijl de homozygote bb nauwelijks tot ontwikkeling komen. Na de bevruchting zijn BB gynen in staat zich ver van het ouderlijk nest te verwijderen en zelfstandig een nieuwe kolonie te stichten. De bevruchte Bb gynen daarentegen worden in het moedernest als functionele koninginnen opgenomen en versterken de polygyne structuur. ‘Les goûts et les couleurs, ça ne se discute pas’, zeker niet bij de mieren!

woensdag 27 mei 2009

Inventief



Van een expeditie in het Braziliaanse Amazonewoud bracht prof. James Trail onder andere enkele 2 mm grootte knoopmiertjes mee die Mayr in 1878 vereerde met de naam Allomerus decemarticulatus. Of prof. Trail bij zijn inzameling ook oog had voor de merkwaardige wijze waarop deze miertjes een prooi verschalken, is niet op te maken uit de beschikbare gegevens. We hebben dan ook tot 2005 moeten wachten op de publicatie van Alain Dejean et al. in Nature om kennis te nemen van een prachtig natuurlijk fenomeen. Het is voor het eerst dat beschreven werd dat mieren in groep een val bouwen om grote prooien te vangen die anders aan hun aanval zouden ontkomen. Om dit doel te bereiken, bouwen de mieren op hun gastplant (o.a. Hirtella physophora) een platform dat bestaat uit haartjes van de plant en een schimmel. Eerst worden op een tak de meeste haartjes afgebeten en aan de resterende opstaande haartjes wordt een galerij opgehangen die is opgebouwd met de afgebeten haartjes en een substantie die de mieren uitbraken. In dit platform worden gaten gemaakt die een iets grotere diameter hebben dan de kop van een mier zodat ze gemakkelijk in en uit de galerij kunnen kruipen. Deze constructie wordt versterkt door een zwarte schimmel die de mieren rondom de openingen aanbrengen en die zichzelf van daaruit over het ganse platform verspreidt.. Op deze wijze hebben de mieren een val geconstrueerd die ze gezamenlijk gaan gebruiken om grote prooien te vangen. Daartoe bezetten de mieren met geopende kaken de gaten in het platform en wachten geduldig tot er een prooi terechtkomt op deze namaakschors. De mieren bijten zich met hun kaken vast aan poten, sprieten, vleugels en andere uitsteeksels en beginnen de prooi uit te strekken tegen de oppervlakte van het platform. Om dit doel te bereiken worden door de mieren tegenovergestelde posities in de gaten ingenomen. Wanneer het slachtoffer uitgerekt tegen het platform ligt, wordt het belaagd door meerdere mieren die met hun angel gif inspuiten tot de prooi sterft. Door weer andere posities in de gaten in te nemen maar nu in dezelfde richting wordt de gedode prooi dan naar de nestingangen gesleept om daar in stukken te worden gebeten. Op deze wijze worden door een gezamenlijk initiatief prooien bemachtigd die tot 18OO maal meer wegen dan een enkele mier of een gewicht hebben dat overeenkomt met dat van de ganse mierenkolonie. Bij deze studie werd ook een duidelijk verband aangetoond tussen de aanwezigheid van domatia in de plant (‘huisjes’ van lat. domus = huis), de schimmel en de mieren.

zondag 18 november 2007

Regenwoud


Als mijn overbuur, dr S. Mathay, een artikel aantreft dat ergens met mieren te maken heeft, dan komt hij mij dat gegarandeerd overhandigen of stopt het in de brievenbus. In het betreffende tijdschrift lees ik dan meestal enkel het mierenartikel maar ditmaal werd mijn aandacht in een themanummer over het regenwoud (National Geographic,vol.163 (1)) getrokken door een artikel over de Wayana indianen die wonen in een gebied waarop zowel Suriname als Frans-Guiana aanspraak maken. Het zal wel toeval zijn dat daarin een foto staat waarop een jonge vrouw een rituele overgangsfase ondergaat waarbij zij wordt blootgesteld aan de pijnlijke steken van ‘zwarte mieren’ die vastgehecht zijn aan een rieten matje. Dit gebruik noemen zij marake of de ‘mierentest’ en het ritueel wordt bij de kinderen de eerste maal uitgevoerd bij de aanvang van de puberteit. Bij aanvang van de marake wordt er gedanst en worden er mythen verteld. De adepten krijgen kasili te drinken om de beproeving beter te kunnen doorstaan. Dan wordt een kunana, een gevlochten matje waaraan een honderdtal venijnig stekende mieren zijn bevestigd tegen alle delen van het lichaam gehouden. Van de geïnitieerde wordt verwacht dat hij of zij gedurende de ganse beproeving, zwijgt. Toen ik dit las, herinnerde ik mij vaag dat ik dat ooit nog eens heb gezien in een documentaire. Wanneer wij, de ‘beschaafden’, dit lezen, zouden sommigen onder ons geneigd zijn deze vorm van onmenselijke kindermishandeling meteen bij één of andere internationale instantie aan te klagen maar de Wayana’s denken daar anders over. Eén van hen zegt : ‘Zolang wij tradities als marake in stand kunnen houden, behouden wij onze identiteit en onze spirituele kracht. De dag dat marake verdwijnt, zal ook het einde inluiden van de Wayana’s.’ Ieder heeft zo zijn eigen overgangsriten en ik denk niet dat wij staan te springen om bv het vormsel te vervangen door een ‘mierentest’ waarbij onze pubers in hun blootje op een bosmierennest worden gezet. Bij een studentendoop daarentegen …

p.s. De mieren die hiervoor worden gebruikt, dragen de wetenschappelijke naam Paraponera clavata en kregen populaire namen als ‘bullett ant’ en ’fourmi 24 heures’ met een verwijzing naar de intense en langdurige pijn die een steek van deze mier veroorzaakt.

vrijdag 26 oktober 2007

Cursiefje

‘Hoe gaat het met de mieren?’ vraagt men mij wel eens. Uiteraard krijgen zij het ganse jaar mijn aandacht maar hier bij ons, in de Lage Landen zijn ze ondergedoken in hun winterkamers en lijken de meesten voor ons niet meer te bestaan. Bovengronds geen spoor meer van die ongewervelde voorbeelden van ijverigheid. Voor de bioloog Midas Dekkers ontsnapte ook de mier niet aan een van zijn amusante beestenverhalen en kreeg dit de titel ‘De werkmier’. Een toepasselijke titel kon ook zijn ‘Wij hebben het druk, druk, druk.’, want dat is wel de boodschap die hij hier wil brengen. Dit cursiefje wil ik dan ook graag met jullie delen.

‘Ga tot de mier’, sprak Salomo, de zoon van David, de koning van Israël. ‘Ga tot de mier, gij luiaard! Zie haar wegen en word wijs.’ Dat hebben wij dus niet gedaan. Mensen gaan niet naar de mieren, ze láten naar de mieren gaan. Door biologen en andere professionals. Die maken er natuurfilms van en dan komt het nooit meer goed.

Op de film zijn mieren altijd in de weer. Ze sjorren en ze slepen, ze zwoegen en ze sloven, ze zijn altijd ergens naar op weg. Of neem bijen. Ook van die uitslovers. Nog even wat nectar hier, daar ook nog maar een drupje, en passant even een veldje koolzaad bestuiven en dan weer snel de korf in om voor het heil van de staat te zorgen. Films over bevers doen denken aan rapportages over de Japanse auto-industrie. Druk, druk, druk. Dat komt doordat de dieren op zo’n film zich almaar aan het gedragen zijn. De brulapen brullen aan een stuk door, de slingerapen slingeren, de menseneters eten mens. Vogels bouwen het ene na het andere nest om het ene na het andere hongerige snaveltje te vullen, tenzij ze het daarvoor te druk hebben in verband met de trek. In de natuur heerst nog volledige werkgelegenheid, daar zie je geen leeglopers en lanterfanters. Op de film.

Van al die films gaan mensen ook steeds drukker doen. Dat zal immers wel natuurlijk zijn. Wekkers rinkelen voor dag en dauw, werk wordt verzet en na gedane arbeid wordt de vrije tijd grondig besteed. Nijver als de mieren willen we zijn. Zo worden we nooit wijs. Word liever zelf filmer. Filmers, die weten dat je uren, dagen, maanden moet wachten voor de natuur eindelijk eens iets doet wat de moeite van het filmen waard is. Dieren maken zich nu eenmaal niet zo druk als wij. Zij weten niet dat het leven kort is.

Vogels sloven zich wel uit om hun jongen groot te brengen, maar niet in augustus, september, oktober, november, december, januari, februari, maart en april, zoals wij. Dan nemen ze het ervan. En al lijkt het of al die mieren in zo’n hoop almaar iets nuttigs doen, in feite hebben ze maar een kwart van de dag corvee. Net Hoog-Catharijne: een hoop gekrioel, maar eigenlijk gaat amper iemand echt ergens heen. En waarom bouwen bevers ijverig aan hun dam? Om er lang en lui van het bouwen in uit te kunnen rusten. Maar dat zie je nooit op de film, want niks doen beweegt niet en wat niet beweegt, komt niet op tv.

Toch is niks doen ook gedrag. Een uur niks doen kan een dier meer opleveren dan een kwartier hard werk. Met niks doen bespaar je je het voedsel dat je anders moet gaan zoeken. Winterslapers moeten ’s winters niet wakker zijn, wandelende takken komen niet ver als ze echt gaan wandelen. Niks doen is niet veel, maar het heeft ook niks gekost.

Mensen niksen niet genoeg. Steeds maar willen ze iets maken: een brug of een huis, oorlog of gewoon ruzie. Zelden luisteren we naar ons lichaam. Zoals dat met pijn waarschuwt dat je van de kachel af moet blijven, laat het je met vermoeidheid weten dat het welletjes is geweest. Stel je voor dat de mensen vaker hadden genikst. Er zou misschien geen Eifeltoren zijn en geen bubbelbad, maar er waren ook geen files op geen vierbaanswegen, geen ponypark Slagharen, geen troonrede en geen Lelystad. Waar je allemaal wel niet meer naar toe hoefde te gaan! Eindelijk zouden we tijd hebben om te niksen. En zomaar eens bij de mieren uit kijken te gaan.’ – De gnoe en andere beesten., p.65, 66.

Mooi toch! Waar mieren allemaal goed voor zijn. Spoort M. Dekkers ons hierbij aan tot luiheid? Ik meen van niet, maar het is goed dat we naar ons lichaam luisteren – dit is beter voor onze gezondheid en maakt ons minder afhankelijk van de farmaceutische industrie.

vrijdag 17 augustus 2007

Documentaire

Gisteren was er op de zender Canvas de Britse documentaire ‘Superstaten’. Het was de laatste van een vijfdelige reeks over ongewervelden en de paar keer dat ik het heb kunnen zien, was genieten van begin tot einde. In dit laatste deel toonde men beelden uit Australië (Queensland) waar mieren hun grondnest hadden gebouwd in de mangrove waar het waterpeil wordt bepaald door eb en vloed van de oceaan. Zodra het water zich heeft teruggetrokken, werken de mieren (het gaat hier om Polyrhachis constricta of P. sokolova) zich naar buiten en gaan meteen op zoek naar voedsel. Wanneer het weer vloed wordt, keren ze terug naar het nest en brengen het broed, dat zij tijdens de eb-periode naar hoger gelegen (warmere) delen van het nest hadden gebracht, naar dieper gelegen nestkamers die ingericht zijn als een soort duikersklok. Wanneer ik dit zie, kan ik een ‘Waarom?’ niet onderdrukken. Waarom maken deze mieren het zichzelf zo moeilijk? Telkens weer bij eb snel de uitgangen vrij maken, voedsel zoeken, broed naar de oppervlakte brengen om bij de aankomende vloed van het zeewater weer alles naar veiliger holletjes te brengen. Nu zijn er nog wel mieren (o.a. Myrmica gallienii) die waterminnend zijn en die lange perioden van overstroming kunnen overbruggen maar deze twee Australische soorten blijken in dit opzicht wel uniek te zijn. Een tweede mier die werd in beeld gebracht was een oogstmier in de woestijn van Arizona (Sonoran dessert?), waarschijnlijk een soort van het genus Pogonomyrmex. Bij het aanbreken van de dag gaan deze mieren ijverig op zoek naar de schaarse zaden die in de woestijn te vinden zijn. Zij doen dit zo snel mogelijk om zich in het nest te kunnen terugtrekken als de temperatuur te hoog oploopt. Nu delen zij hun foerageergebied met een andere soort knoopmier, vermoedelijk Aphaenogaster die pas actief wordt als de zon ondergaat. In de voedselcompetitie komt deze tweede mier dus op het veld aan als het grootste deel van de zaadoogst reeds werd binnen gehaald door de dagactieve oogstmieren. Er valt dan in dit dorre gebied nog weinig te halen. Als het al te gortig wordt, gaan de nachtactieve oogstmieren de nestingangen van de concurrerende buren afsluiten met kleine steentjes en takjes zodat zij bij het aanbreken van de volgende dag eerst hun handen vol hebben met het openmaken van hun nestopeningen. Op deze manier rest er hen minder tijd om granen te oogsten en blijft er meer voedsel beschikbaar voor de werksters van de nacht! Mooi toch! Jammer dat ik geen kopie heb van deze documentaires, ze waren gewoon prachtig

dinsdag 7 augustus 2007

Hallo wereld

Hallo wereld! Zelf vind ik geen betere aankondiging alhoewel ik mij de vraag stel hoe groot die wereld is voor Nederlands sprekende bezoekers. Toch wens ik mij te houden aan het opzet van de mierensite http://www.formicidae.be/ die bewust in het Nederlands wordt opgebouwd vanuit het idee dat er reeds meerdere goede mierensites bestaan in het Engels. Trouwens, ook in Duitsland, Frankrijk, Spanje … wordt aan de plaatselijke mierenfauna op het web aandacht geschonken in de eigen landstaal. Bovendien ben ik ook geen geschoolde polyglot zodat ik al tevreden ben als ik mij zonder al te veel taalfouten met jullie kan onderhouden. Zoals reeds uit deze korte inleiding (en de mierensite) mag blijken, wordt mijn levenspad dagelijks (zelfs in de winter) gekruist door mieren, zozeer zelfs dat er in mijn boeken niet één boekenworm te vinden is! In tegenstelling tot zovele andere mensen die vooral in de zomermaanden het internet afschuimen op zoek naar het beste middel om mieren te verdelgen, ben ik meestal op zoek naar degelijke wetenschappelijke informatie die mij toelaat deze fasinerende insecten in al hun facetten beter te leren kennen. Dit is geen kennis om de kennis of om anderen te imponeren maar kennis die in grote mate een aanvulling is tot het begrijpen van de samenhang der levende natuur en die voor mij bijdraagt tot een gezonde harmonie met die kostbare natuur. Dikwijls wordt mij de vraag gesteld hoelang ik reeds ‘met mieren bezig ben’ en dan vermoed ik dat mijn leven in dat opzicht een zekere gelijkenis vertoont met Mowgli uit het Jungle Book van Kipling. Ik vermoed dat ik eerst met de mieren heb leren praten en toen ze bleven aandringen de primitievere conversatie met de mensen uit mijn omgeving heb aangevat. Daardoor is mijn ‘Miers’ op de achtergrond geraakt maar een eerste liefde vergeet je nooit en later hebben wij de draad weer opgenomen - vandaar. Aangezien het nogal een grote familie is, geraak je er niet snel op uitgekeken - de meeste familieleden (enkele duizenden) heb ik persoonlijk nog niet mogen ontmoeten. Er zijn er dan ook weer anderen die je gewoon niet kan ontlopen. Je komt ze zowat overal tegen, in elke straat, op elk plein, in het bos en in het veld, meestal de vrouwen en allemaal even innemend en knap. Ze zijn meestal ook ongegeneerd en kennen weinig plichtplegingen. Ze verwachten niet dat je hen plechtig ontvangt langs je imposante hoofdingang of dat je hen een persoonlijk geadresseerde uitnodiging stuurt. Neen, ze stellen er zich mee tevreden langs de dienstingang te komen en je hoeft je zelfs niet uit te sloven om een feesttafel voor hen te dekken. Ze stellen je gastvrijheid enorm op prijs en vinden hun kostje wel zelf en zijn zelfs tevreden met de kruimels die van de rijkgevulde tafel vallen. Geen stijf protocol, geen schone schijn en vermoedelijk kan je er donder op zeggen dat ze het, eenmaal weer thuis, niet zullen wagen te zeggen dat je eten niet te vreten was - dan waren ze waarschijnlijk naar de buren getrokken. Zo zijn ze - de mieren! Simpel, rechtaan-rechtuit, je weet hoe je het met ze hebt! Of toch weer niet? Soms wordt hun gemeenschap als voorbeeld gesteld waarbij wij de koningin-moeder zien als de toegewijde mama die zonder morren een kroostrijk gezin op de wereld zet, hierin bijgestaan door onzelfzuchtige dochters die dag en nacht ijverig voor het nodige voedsel zorgen en de woonst netjes houden. Onzelfzuchtig, altruïstisch, met een sterke groepsgeest noeste arbeid verrichten voor het algemeen welzijn. Wat een teamspirit! Als dit niet inspireert tot een fabel van de krekel en de mier.

De werkelijkheid is een niet zo netjes afgebakend stichtend voorbeeld. Een ‘mierengemeenschap’ als algemene definitie bestaat niet. We zouden kunnen zeggen dat er op die modelgemeenschap bijna evenveel variaties zijn als er soorten bestaan. Als we dit alles beter leren kennen dan gaat de vergelijking met de mens een juister beeld vertonen. Mieren migreren, vestigen zich op plaatsen waar zij niet door de autochtone gemeenschap met open armen ontvangen worden en binden de strijd aan om de beschikbare bronnen voor het voortbestaan op te eisen. Er zijn mieren die het niet zien zitten om zelf met hard labeur voor het nodige inkomen te zorgen. Dit zijn de parasieten, de wolven in schapenvacht die in een goed draaiende structuur binnendringen, er dikwijls niet voor terugdeinzen om de spilfiguur te vermoorden en als een volleerd usurpator de macht over te nemen. Sommigen gebruiken daarvoor smerige trukjes en slagen erin om met allerhande zelfgemaakte drugs de nietsvermoedende belegerden te doen geloven dat zij goede bedoelingen hebben en dat zij alle aandacht en zorg meer dan waard zijn. Zij vormen de nieuwe regering, ze zijn de nieuwe wijn in oude zakken. Onder de mieren bevinden zich rovers die er geregeld op uittrekken en bij hun plunderingen overgaan tot kinderroof waarbij zij tegenstanders gewoon de kop doorboren. Weer andere leven in verborgen hoekjes van de samenleving en als zij de kans zien, stelen zij hun kostje wel bijeen. ‘I lie and I cheat’ lijkt bij sommige soorten wel het devies om hun voortbestaan te verzekeren. Maar … er zijn uiteraard ook voorbeeldige mierengezinnen. Er is dus toch geen groot verschil met ons … mensen. Bij die gemeenschappen voel ik mij dus een straathoekwerker.